Achtergrondartikel

Kamiel Maase: “Het gaat allemaal om kennis de sport in krijgen”

Pieter van der Meer

22-11-2016

Kamiel Maase is sinds 2007 Performance Manager Sport Science & Innovation bij NOC*NSF. In die rol houdt hij zich in brede zin bezig met details en halve procentjes verschil die prestaties kunnen verbeteren. “Kennis en innovatie kan helpen dat kleine verschil te benutten. De dingen die ik doe moet je vanuit dat perspectief zien.”

Medium 5834724e7c0019009bb6bce4 e943f07b475137c0fa5f

In een vergaderruimte in het kantoor van NOC*NSF op Papendal geeft Kamiel Maase een privécollege over zijn rol in de sport. Zijn verhaal ondersteunt hij met een aantal slides uit een eerdere presentatie tijdens een groot sportwetenschappelijk congres. De paraplu waar hij zich mee bezig houdt is ook nogal breed of zoals hij zelf na een half uur zegt: “Het klinkt alsof er een afdeling van twintig man hier op zit, maar de hele afdeling zit nu naast je.”

Achtergrond in chemie

Op het bureaublad van zijn laptop heeft hij een foto die herinnert aan zijn carrière als marathonloper: zijn slanke kuiten voor de start van de olympische marathon van Peking in 2008. “Rio is geweest en ik kon nog geen geschikt plaatje vinden van Pyongchang”, zegt Maase over de foto. Die sportcarrière is waar veel Nederlanders Maase ook van kennen. Dat hij ook een uitgebreide wetenschappelijke achtergrond heeft is minder bekend. “Ik zit in de hoek van de life sciences: ik heb een achtergrond in de chemie, biochemie. In de VS heb ik een studie microbiologie gedaan. Ik heb ook een paar jaar deeltijd bij DMV International gewerkt, de ingrediëntendivisie van FrieslandCampina. Later heb ik ook nog bedrijfskunde gedaan.” 

Maase houdt zijn ogen voortdurend open voor kennis die nuttig en toepasbaar kan zijn voor de sport. Dat kan volgens hem in elk denkbaar vakgebied zijn: van de usual suspects als fysiologie, biomechanica en voeding tot bijvoorbeeld de chronobiologie, de wetenschap over de interne klok. “Het is ook wel eens goed om met een chronobioloog te praten die minder van sport weet. Om daar je protocollen over het bestrijden van een jetlag op aan te passen. Dat hebben we voor Rio ook gedaan.”

Generalist en facilitator

In zijn functie is hij meer generalist. “Ik ben in geen van deze gebieden de expert. Mijn achtergrond helpt mij wel dat ik niet schrik van een tabelletje of een grafiekje. Wat ik wel merk is dat ik sterker ben in het nadenken van toepassing van ontwikkeling in de life sciences (inspanningsfysiologie, voeding) dan als het gaat om ontwikkeling op bijvoorbeeld gedrag. Als ik daar vragen over heb, stem ik af met collega Paul Wylleman.”

Het programma van Maase is gericht op het ondersteunen van atleten en coaches. “Het gaat daarbij eigenlijk allemaal om kennis de sport in te krijgen.” Het verspreiden van kennis ziet hij daarom ook als een belangrijke taak. “Een paar jaar terug ben ik met Asker Jeukendrup begonnen met het schrijven van de eerste factsheets over voeding bij NOC*NSF. Die bestonden nog niet.” Ook het kennisplatform Topsporttopics.nl waar hij zich samen met Hanno van der Loo hard voor heeft gemaakt is daar een goed voorbeeld van.

Maase ziet zichzelf tegenwoordig ook meer als facilitator. “Ik bemoei me steeds minder met de inhoud en ben steeds meer bezig een programma aan activiteiten te faciliteren: dat Topsport Topics in de lucht blijft, dat we goede embedded scientists vinden voor bonden, dat er een volgend onderzoeksprogramma sport komt. Maar ik zit ook ik in besturen en adviesraden van fieldlabs”

Die hele term 'embedded scientist' bestond zes jaar geleden niet. Nu zie ik het zelfs in voorstellen van België terug. Het slaat dus blijkbaar aan.”

Fieldlabs

Binnen zijn functie zorgt Maase ook voor infrastructuur en een netwerk om kennis in de sport toe te passen. Als voorbeeld geeft hij de klimaatkamer. “Leuk dat je een factsheet hebt over aanpassing aan warmte, maar als je vervolgens niet dat protocol kunt volgen is dat lastig. Die klimaatkamer maakt het mogelijk om met adviezen over warmte en luchtvochtigheid aan de slag te gaan.”

Een ander belangrijk onderdeel van die infrastructuur vormen de fieldlabs, die de afgelopen jaren zijn opgezet. Hij is vooral betrokken bij het lab op Papendal, het zeillab in Den Haag en het recent geopende schaatslab in Thialf. “Ik run dat fieldlab niet, maar ik geef partijen wel aan wat een effectief fieldlab zou kunnen zijn en wat daar de ingrediënten van kunnen zijn. Bij Thialf heb ik mede de manager gescout, bij Papendal zit ik in de adviesraad en bij Den Haag in het bestuur. Dan moet het vervolgens daar gebeuren. NOC*NSF exploiteert geen fieldlabs, maar de gedachte die wij hebben is: als je daar in investeert denken wij dat dat rendement oplevert voor de sport, in top en breedte.”

De ‘embedded scientist’

Vanuit de gedachte om kennis in de sport te krijgen is ook de functie van ‘embedded scientist’ door NOC*NSF gepromoot. “Dat is een concept dat wij hebben geplugd met het idee: vanuit het sportprogramma nadenken over wetenschappelijke flankering met testen, meten en innoveren. Niet de wetenschapper in de witte jas die één keer in de zoveel tijd afdaalt vanuit de universiteit, maar iemand die echt bij de sport hoort en meegaat op trainingskamp.” De term embedded scientist, kwam bij Maase en van der Loo vandaan. “Die hele term bestond zes jaar geleden niet. Nu zie ik het zelfs in voorstellen van België terug. Het slaat dus blijkbaar aan.”

Richting de Olympische Spelen van Tokio 2020 stuurt NOC*NSF bij bonden wederom aan op het vrij maken van budget voor een embedded scientist. “Als bonden nu hun investeringsplan invullen, komen ze dat ook tegen en worden ze gedwongen na te denken over een dergelijke positie. Ga je daar budget voor reserveren of niet. Dat is wel een ontwikkeling. We hebben aan bonden ook  uitgelegd dat een embedded scientist in onze ogen toegevoegde waarde heeft.”

Een goed vormgegeven onderzoeksprogramma sport en Sportinnovator maakt het mogelijk dat mensen daar hun relevante ideeën kunnen indienen.

Netwerk van eenlingen

Maase telt op dit moment ongeveer twintig embedded scientists die voornamelijk in dienst zijn bij de sportbonden. Twee keer per jaar komen die wetenschappers bij elkaar op platformbijeenkomsten. “Daar bespreken we inhoudelijk zaken, maar een belangrijk element van die dagen vind ik dat ze elkaar leren kennen. Het zijn vrijwel allemaal eenlingen, die allemaal hun eigen sport in gezogen worden. Dan moeten we een beetje oppassen dat ze niet al te veel geremd worden in ontwikkelingen buiten de sport, op hun vakgebied, maar ook dat ze elkaar weten te vinden. We zijn een netwerk met elkaar.”

Vanuit NOC*NSF is Maase ook nauw betrokken bij het Sportinnovator-programma en het onderzoeksprogramma Sport in samenwerking met NWO, SIA en het ministerie van VWS. “Ik merk wel dat ik iets verder af kom te staan van de sportpraktijk en me in een meer faciliterende positie begeef, maar dat heeft als doel om die grotere programma’s goed vorm te geven, altijd met als uitgangspositie rendement voor de sport. Ik ben dus blij dat ik daar zit als vertegenwoordiger van de sport. Een goed vormgegeven onderzoeksprogramma sport en Sportinnovator maakt het mogelijk dat mensen daar hun relevante ideeën kunnen indienen.”

 

Foto: Maurits van Hout

 

Gerelateerde Artikelen

GERELATEERDE ORGANISATIES

GERELATEERDE PPROJECTEN